Wat gebeurt er bij de opname met de kinderen van deze wereld? Worden zij ook meegenomen of moeten zij door de verdrukking?

Voor het antwoord op deze vraag moet ik eerlijk zeggen dat ik geen concrete bijbeltekst kan aanwijzen waarin precies staat hoe dit zal gaan. Er bestaan hierover dan ook verschillende opvattingen.

De eerste opvatting is dat alle kinderen die nog niet in staat zijn onderscheid te maken tussen goed en kwaad, meegaan bij de opname van de gemeente. Daarbij wordt soms verwezen naar wat we lezen over de stad Ninevé (Jona 4:11), waar gesproken wordt over mensen die dit onderscheid nog niet konden maken. Op basis daarvan wordt verondersteld dat God ook in dit geval genadig zal omgaan met jonge kinderen.

Een tweede opvatting is dat alleen de kinderen van gelovige ouders — of van gezinnen waarin één van de ouders gelovig is — zullen meegaan. Hierbij wordt vaak verwezen naar 1 Korinthe 7:14, waar staat dat de kinderen “geheiligd” zijn in hun ouders.

Een derde gedachte is dat kinderen van niet‑gelovige ouders weliswaar niet zullen worden opgenomen, maar dat zij tijdens die periode een bijzondere bescherming van God zullen ontvangen. Voor deze gedachte is echter minder duidelijke bijbelse onderbouwing aan te wijzen.

Persoonlijk geloof ik dat in ieder geval de kinderen van gelovige ouders zullen meegaan. Daar lijkt de Bijbel duidelijk over te zijn: zij zijn geheiligd in de ouders. Voor het overige spreekt de Bijbel zich hier niet expliciet over uit.

Wat ik wél weet, is dat God rechtvaardig is, dat Hij goed en liefdevol is, en dat Hij genadig is. Dat staat vast. Daarnaast laat de Bijbel duidelijk laat zien dat er in Gods Vaderhart een bijzonder plekje is voor kinderen.

Dat zien we bijvoorbeeld in Mattheüs 18 waar Jezus een kind in het midden stelt en gebruikt als voorbeeld van hoe wij als volwassenen moeten worden om het Koninkrijk van God binnen te gaan. Daarna vertelt Hij meerdere gelijkenissen, waaronder die van de negenennegentig schapen en dat ene schaap. Opvallend is dat deze gelijkenissen steeds spreken over “de kleinen”. Jezus wijst daarbij telkens naar de kinderen die om Hem heen staan.

Aan het einde van één van die gelijkenissen zegt Jezus in Mattheüs 18:14:
“Zo is het ook niet de wil van uw Vader, Die in de hemelen is, dat één van deze kleinen verloren gaat.”
Dat is het hart van God.

En een hoofdstuk later, in Mattheüs 19, zegt Jezus:
“Laat de kinderen begaan en verhinder hen niet bij Mij te komen, want voor zodanigen is het Koninkrijk der hemelen.”
En nadat Hij hun de handen had opgelegd, vertrok Hij vandaar.

Als we dit alles weten over God, en beseffen dat Hij rechtvaardig is en nooit een onjuiste of onrechtvaardige keuze zal maken, dan stel ik voor dat we deze vraag met vertrouwen bij God neerleggen. Dat gaat vast helemaal goed komen, denk ik zo…

© 2023 - 2026 Stichting Verkondig Het Woord Vormgeving door Jore Ontwerp Gebouwd en gehost door Commpro