In aflevering/hoofdstuk 36 van Zie, Ik kom spoedig gaat het over het met Christus regeren tijdens het duizendjarig vrederijk. Dan is allereerst de vraag wíe het zijn die met Hem regeren. In Openbaring 20:4 worden in de eerste plaats degenen genoemd, die tijdens de grote verdrukking zijn onthoofd om het getuigenis van Jezus en om het Woord van God, en die het beest en zijn beeld niet hadden aanbeden en die het merkteken niet ontvangen hadden op hun voorhoofd en hun hand. Van deze gelovigen uit de grote verdrukking lezen we dat zij leefden en gingen regeren als koningen met Christus, duizend jaar lang. De NBV21 vertaalt hier dat ze tot leven kwamen. Deze martelaren waren gedood, maar komen hier bij de wederkomst van de Heere Jezus tot leven. Wat Openbaring 20:4 ook duidelijk maakt is dat hun het oordeel wordt gegeven. Dat zal ongetwijfeld verband houden met al het onrecht dat deze martelaren tijdens de grote verdrukking is aangedaan.
Maar niet alleen de gelovigen uit de grote verdrukking zullen met Christus regeren. In Openbaring 20:4 ligt de nadruk op déze groep, eenvoudig omdat dit nog niet eerder geopenbaard was. Maar in Openbaring 5:10 was al duidelijk gemaakt dat ook degenen die deel uitmaken van de gemeente van Christus tijdens deze duizend jaar met Hem zullen regeren. Het waren de vierentwintig oudsten, die het als representanten van de gemeente in de hemel uitriepen dat ze voor hun God gemaakt zijn tot koningen en priesters en dat zij als koningen zullen regeren over de aarde. En wat lezen we in die bijzondere zegen die Johannes in Openbaring 1:6 uitspreekt over de zeven gemeenten die in Asia zijn? Dat Jezus Christus ons heeft gemaakt tot koningen en priesters voor God en Zijn Vader. Het wordt zelfs nóg een keer genoemd: in Openbaring 3:21 wordt aan het einde van de brief aan de gemeente van Laodicea belooft dat wie overwint, met Hem zal zitten op Zijn troon.
Maar óver wie zal er dan worden geregeerd? Als ik het goed begrijp, zullen er tijdens deze periode twee soorten mensen op aarde zijn. In de eerste plaats zijn dat de gelovigen, die bij de opname of bij de wederkomst een nieuw en verheerlijkt lichaam hebben gekregen en nu dus met Christus als koningen over de aarde regeren. Maar er zullen ook mensen zijn die de grote verdrukking overleven en met hun sterfelijke lichamen én hun zondige harten in het duizendjarig vrederijk leven. Want niet iedereen zal bij de grote eindstrijd omkomen. In Zacharia 14:16 wordt geprofeteerd dat het zal geschieden dat al de overgeblevenen (NBV21 overlevenden) van alle heidenvolken die tegen Jeruzalem zijn opgerukt, van jaar tot jaar zullen opgaan om zich neer te buigen voor de Koning, de HEERE van de legermachten, en om het Loofhuttenfeest te vieren. Er zullen dus aan het begin van het duizendjarig vrederijk ‘overgeblevenen’ of ‘overlevenden’ zijn vanuit de grote verdrukking.
In het duizendjarig vrederijk zijn er dus mensen die nog leven in een sterfelijk lichaam, met een hart dat nog steeds van binnenuit geneigd is tot kwaad en zonde. Deze mensen zullen oud worden en zich vermenigvuldigen. Ga er maar van uit dat er door de hoge leeftijden en ideale leefomstandigheden in duizend jaar tijd een enorme toename zal zijn van het aantal bewoners van de aarde. Maar het zijn mensen die zich – ondanks dat satan dan voor duizend jaar gevangen is – kunnen en zullen verzetten tegen God. Want de profeet Zacharia ziet ook dat er mensen zullen zijn die weigeren om naar Jeruzalem te gaan voor de viering van het Loofhuttenfeest. Zij zullen daarvoor worden gestraft. Daarom zal het nodig zijn dat er over al deze mensen wordt geregeerd. We lezen over Christus dat Hij zal hoeden met een ijzeren staf. En volgens de brief aan de gemeente van Thyatira zullen ook wij – samen met Christus – deze heidenvolken hoeden met een ijzeren staf.
In aflevering/hoofdstuk 36 van Zie, Ik kom spoedig gaat het over het met Christus regeren tijdens het duizendjarig vrederijk. Dan is allereerst de vraag wíe het zijn die met Hem regeren. In Openbaring 20:4 worden in de eerste plaats degenen genoemd, die tijdens de grote verdrukking zijn onthoofd om het getuigenis van Jezus en om het Woord van God, en die het beest en zijn beeld niet hadden aanbeden en die het merkteken niet ontvangen hadden op hun voorhoofd en hun hand. Van deze gelovigen uit de grote verdrukking lezen we dat zij leefden en gingen regeren als koningen met Christus, duizend jaar lang. De NBV21 vertaalt hier dat ze tot leven kwamen. Deze martelaren waren gedood, maar komen hier bij de wederkomst van de Heere Jezus tot leven. Wat Openbaring 20:4 ook duidelijk maakt is dat hun het oordeel wordt gegeven. Dat zal ongetwijfeld verband houden met al het onrecht dat deze martelaren tijdens de grote verdrukking is aangedaan.
Maar niet alleen de gelovigen uit de grote verdrukking zullen met Christus regeren. In Openbaring 20:4 ligt de nadruk op déze groep, eenvoudig omdat dit nog niet eerder geopenbaard was. Maar in Openbaring 5:10 was al duidelijk gemaakt dat ook degenen die deel uitmaken van de gemeente van Christus tijdens deze duizend jaar met Hem zullen regeren. Het waren de vierentwintig oudsten, die het als representanten van de gemeente in de hemel uitriepen dat ze voor hun God gemaakt zijn tot koningen en priesters en dat zij als koningen zullen regeren over de aarde. En wat lezen we in die bijzondere zegen die Johannes in Openbaring 1:6 uitspreekt over de zeven gemeenten die in Asia zijn? Dat Jezus Christus ons heeft gemaakt tot koningen en priesters voor God en Zijn Vader. Het wordt zelfs nóg een keer genoemd: in Openbaring 3:21 wordt aan het einde van de brief aan de gemeente van Laodicea belooft dat wie overwint, met Hem zal zitten op Zijn troon.
Maar óver wie zal er dan worden geregeerd? Als ik het goed begrijp, zullen er tijdens deze periode twee soorten mensen op aarde zijn. In de eerste plaats zijn dat de gelovigen, die bij de opname of bij de wederkomst een nieuw en verheerlijkt lichaam hebben gekregen en nu dus met Christus als koningen over de aarde regeren. Maar er zullen ook mensen zijn die de grote verdrukking overleven en met hun sterfelijke lichamen én hun zondige harten in het duizendjarig vrederijk leven. Want niet iedereen zal bij de grote eindstrijd omkomen. In Zacharia 14:16 wordt geprofeteerd dat het zal geschieden dat al de overgeblevenen (NBV21 overlevenden) van alle heidenvolken die tegen Jeruzalem zijn opgerukt, van jaar tot jaar zullen opgaan om zich neer te buigen voor de Koning, de HEERE van de legermachten, en om het Loofhuttenfeest te vieren. Er zullen dus aan het begin van het duizendjarig vrederijk ‘overgeblevenen’ of ‘overlevenden’ zijn vanuit de grote verdrukking.
In het duizendjarig vrederijk zijn er dus mensen die nog leven in een sterfelijk lichaam, met een hart dat nog steeds van binnenuit geneigd is tot kwaad en zonde. Deze mensen zullen oud worden en zich vermenigvuldigen. Ga er maar van uit dat er door de hoge leeftijden en ideale leefomstandigheden in duizend jaar tijd een enorme toename zal zijn van het aantal bewoners van de aarde. Maar het zijn mensen die zich – ondanks dat satan dan voor duizend jaar gevangen is – kunnen en zullen verzetten tegen God. Want de profeet Zacharia ziet ook dat er mensen zullen zijn die weigeren om naar Jeruzalem te gaan voor de viering van het Loofhuttenfeest. Zij zullen daarvoor worden gestraft. Daarom zal het nodig zijn dat er over al deze mensen wordt geregeerd. We lezen over Christus dat Hij zal hoeden met een ijzeren staf. En volgens de brief aan de gemeente van Thyatira zullen ook wij – samen met Christus – deze heidenvolken hoeden met een ijzeren staf.
Voor het antwoord op deze vraag moet ik eerlijk zeggen dat ik geen concrete bijbeltekst kan aanwijzen waarin precies staat hoe dit zal gaan. Er bestaan hierover dan ook verschillende opvattingen.
De eerste opvatting is dat alle kinderen die nog niet in staat zijn onderscheid te maken tussen goed en kwaad, meegaan bij de opname van de gemeente. Daarbij wordt soms verwezen naar wat we lezen over de stad Ninevé (Jona 4:11), waar gesproken wordt over mensen die dit onderscheid nog niet konden maken. Op basis daarvan wordt verondersteld dat God ook in dit geval genadig zal omgaan met jonge kinderen.
Een tweede opvatting is dat alleen de kinderen van gelovige ouders — of van gezinnen waarin één van de ouders gelovig is — zullen meegaan. Hierbij wordt vaak verwezen naar 1 Korinthe 7:14, waar staat dat de kinderen “geheiligd” zijn in hun ouders.
Een derde gedachte is dat kinderen van niet‑gelovige ouders weliswaar niet zullen worden opgenomen, maar dat zij tijdens die periode een bijzondere bescherming van God zullen ontvangen. Voor deze gedachte is echter minder duidelijke bijbelse onderbouwing aan te wijzen.
Persoonlijk geloof ik dat in ieder geval de kinderen van gelovige ouders zullen meegaan. Daar lijkt de Bijbel duidelijk over te zijn: zij zijn geheiligd in de ouders. Voor het overige spreekt de Bijbel zich hier niet expliciet over uit.
Wat ik wél weet, is dat God rechtvaardig is, dat Hij goed en liefdevol is, en dat Hij genadig is. Dat staat vast. Daarnaast laat de Bijbel duidelijk laat zien dat er in Gods Vaderhart een bijzonder plekje is voor kinderen.
Dat zien we bijvoorbeeld in Mattheüs 18 waar Jezus een kind in het midden stelt en gebruikt als voorbeeld van hoe wij als volwassenen moeten worden om het Koninkrijk van God binnen te gaan. Daarna vertelt Hij meerdere gelijkenissen, waaronder die van de negenennegentig schapen en dat ene schaap. Opvallend is dat deze gelijkenissen steeds spreken over “de kleinen”. Jezus wijst daarbij telkens naar de kinderen die om Hem heen staan.
Aan het einde van één van die gelijkenissen zegt Jezus in Mattheüs 18:14:
“Zo is het ook niet de wil van uw Vader, Die in de hemelen is, dat één van deze kleinen verloren gaat.”
Dat is het hart van God.
En een hoofdstuk later, in Mattheüs 19, zegt Jezus:
“Laat de kinderen begaan en verhinder hen niet bij Mij te komen, want voor zodanigen is het Koninkrijk der hemelen.”
En nadat Hij hun de handen had opgelegd, vertrok Hij vandaar.
Als we dit alles weten over God, en beseffen dat Hij rechtvaardig is en nooit een onjuiste of onrechtvaardige keuze zal maken, dan stel ik voor dat we deze vraag met vertrouwen bij God neerleggen. Dat gaat vast helemaal goed komen, denk ik zo…
Allereerst: voor sommigen is het misschien een nieuwe gedachte dat er een verschil is tussen Israël als ‘de vrouw van God’ en de Gemeente als ‘de bruid van Christus’. Daarom beginnen we met te onderzoeken wat de Bijbel hierover zegt. In Jesaja 54:5 (NBV21) wordt over Israël dit geprofeteerd: Want je maker neemt je tot vrouw, HEER van de hemelse machten is zijn naam. In het volgende vers wordt daar in de vertaling van de BGT aan toegevoegd: Jeruzalem, je was wanhopig, zoals een vrouw die door haar man verlaten is. Maar Ik roep je terug, Ik blijf je trouw. Want jij bent mijn grote liefde! Wat een bijzondere liefdesverklaring van God. Israël is Zijn grote liefde! Dus wie aan Israël komt, komt aan Gods grote liefde!
Denk ook aan de profeet Hosea die op een dag moet trouwen met een prostituee. Als beeld van hoe Israël zich geestelijk gedraagt. Maar God blijft trouw en geeft in Hosea 2:18 deze hemelse garantie: Ik zal u voor eeuwig tot Mijn bruid nemen: ja, Ik zal u tot Mijn bruid nemen in gerechtigheid en in recht, in goedertierenheid en in barmhartigheid. In de NBV21 wordt daar aan toegevoegd: Mijn vrouw zul je zijn, want Ik beloof je trouw, en jij zult de HEER toegewijd zijn.
Wat Jesaja, Hosea en andere profeten van het Oude Testament duidelijk maken, is dat de relatie die God met zijn volk Israël heeft net als bij een huwelijk tussen man en vrouw is gebaseerd op liefde en trouw. En dat het, net als bij het huwelijk, een verbond is, dat door Hosea zelfs wordt omschreven als een eeuwig verbond. Tegelijkertijd wordt duidelijk dat hier tot op zekere hoogte beeldspraak wordt gebruikt. Want in Exodus 4:22-23 lezen we dat Mozes het volgende tegen de Farao moet zeggen: Zo zegt de HEERE: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël. Daarom zeg Ik tegen u: Laat Mijn zoon gaan, zodat hij Mij kan dienen. Er worden dus verschillende beelden gebruikt.
Over het huwelijk tussen Christus en Zijn gemeente schrijft Paulus in 2 Korinthe 11:2 – hij ziet zichzelf hier als een soort huwelijksmakelaar – dat hij de gemeente ten huwelijk heeft gegeven aan één Man om ons als een reine maagd aan Christus voor te stellen. En ook in het bekende huwelijksonderwijs in Efeze5:21-33 verwijst Paulus steeds naar de relatie tussen Christus en zijn gemeente. Deze is als een huwelijk en daarom zal er op een dag een hemelse bruiloft zijn – de bruiloft van het Lam – met alles erop en eraan. Inclusief de in Openbaring 19:8 genoemde feestelijke kleding voor de bruid: En het is haar gegeven zich met smetteloos en blinkend fijn linnen te kleden, want dit fijne linnen zijn de gerechtigheden van de heiligen. Hiervóór lezen we in Openbaring 19:7 deze oproep: Laten wij blij zijn en ons verheugen en Hem de heerlijkheid geven, want de bruiloft van het Lam is gekomen en Zijn vrouw (NBV21 bruid) heeft zich gereedgemaakt. In hoofdstuk/aflevering 9 kun je alles lezen of zien over de overeenkomsten tussen de Joods-Galilese bruiloft van de tijd van Jezus en de bruiloft van het Lam en alle voorbereidingen daarop.
Ook hier kun je stellen dat het tot op zekere hoogte beeldspraak is, want wordt de gemeente van Christus in onder andere 1 Korinthe 12:27 ook niet omschreven als het lichaam van Christus? Er worden verschillende beelden gebruikt om de diverse aspecten van de relatie tussen Israël en God én tussen de gemeente en Christus tot uitdrukking te brengen.
Waar de Bijbel volgens mij duidelijk over is, is dat de gemeente nooit de plaats van Israël heeft overgenomen en dat ze allebei een eigen unieke positie hebben in Gods heilsplan. Hoe dat uiteindelijk zal zijn op de nieuwe hemel en de nieuwe aarde en of er in het nieuwe Jeruzalem nog steeds onderscheid gemaakt wordt tussen Israël en de gemeente… ik ben geneigd om te denken dat het tegen die tijd anders zal zijn dan nu. Alleen al het feit dat we in Openbaring 21:12-14 lezen dat de namen van de twaalf stammen van Israël op de poorten staan geschreven en de namen van de twaalf apostelen op de fundamenten van de stad terug te vinden zijn, geeft aan dat in deze hemelse stad zowel de gelovigen uit Israël als de gelovigen uit de volkeren samen zullen zijn. Er zijn bij dit onderwerp nog genoeg open vragen, lang niet alles is al duidelijk. God heeft ons geopenbaard wat Hij voor ons nodig vond, de rest zal tegen die tijd ook vast allemaal duidelijk worden.